De terrorist
‘We hebben een terrorist in de trein!’ Met die mededeling gooide de hoofdconducteur van de intercity mijn cabinedeur open. Hij zei het op een manier alsof hij een grapje maakte, zijn mond lachend, maar zijn ogen stonden wijd open, alsof hij zojuist enkele angstige momenten had beleefd en zijn hart nog in zijn keel klopte.
‘Wat is er aan de hand?’ vroeg ik hem.
‘Wij zaten achter in de trein, toen er een reiziger opgewonden naar ons toe kwam. Voorin zou een man in het gangpad staan die zei dat hij een bomgordel om had en dat we er allemaal aan zouden gaan. De mensen waren doodsbang voor hem. Ik heb deze reiziger gezegd even rustig te gaan zitten, dat wij de politie zouden waarschuwen en zouden gaan kijken. De adrenaline zat me ondertussen wel tot hier.’ Hij hield zijn hand net iets boven zijn kruin.
‘Dat begrijp ik. Wat hebben jullie gedaan?’
‘We zijn samen naar voren gegaan en terwijl mijn collega de politie belde, ben ik de betreffende coupĂ© ingelopen. Maar daar was niets te zien. Alles leek rustig. Dus ik vroeg aan een oudere vrouw die daar zat: Er zou hier een man allerlei rare dingen roepen, hebt u die gezien? Die zit tegenover me, zei ze. Het was een Oost-Europees type maar hij sprak perfect Nederlands en hij wist ook heel goed wat hij moest zeggen.’
Op geagiteerde toon met overdreven mimiek imiteerde hij de vermeende terrorist: ‘Ik ontken alles, niemand hier durft aangifte tegen mij te doen. Dat is jullie superparanoia. Jullie maken van iedere buitenlander een terrorist. Maar ik heb niks gedaan, ik heb niemand bedreigd. Ik zat alleen maar wat voor me uit te mompelen. Dat is niet strafbaar. Ik heb nog geen nagelschaartje bij me. Jullie kunnen me niks maken.’ Daarna kalm, berustend: ‘En daarin heeft hij natuurlijk gelijk.’
‘En wat gebeurt er nu verder?’ vroeg ik, blij dat we in ieder geval geen trein hoefden te ontruimen midden in een weiland.
‘Op het Centraal Station staat zo meteen politie te wachten. Wij begeleiden de man naar de tweede deur. Als je de trein daar ongeveer neer kunt zetten…’
‘Doe ik en succes.’
Op het station zag ik twee agenten de man een stukje verder mee het perron op nemen. Een net aangeklede, op het eerste gezicht rustige, vriendelijke man. Hij deed me sterk denken aan het portret van de Damschreeuwer dat een jaar geleden in Vrij Nederland stond. Ik wilde me er verder niet mee bemoeien en wachtte tot de hc weer naar me toekwam. ‘En?’ vroeg ik hem.
‘Precies wat ik al vermoedde, er is geen enkel bewijs dat hij iets van plan was. Hij heeft wel een boete van 60 euro gekregen wegens verstoring van de openbare orde. Maar dit moet je toch niet elke dag meemaken!’
