Wordt vervolg op Spoormachinist.com
29 januari 2012Dit online dagboek, weblog van een spoormachinist, gaat door op een nieuw adres:
http://spoormachinist.com
En neem ook eens een kijkje op:
http://masjinist.com
Je bent er van harte welkom!
Dit online dagboek, weblog van een spoormachinist, gaat door op een nieuw adres:
En neem ook eens een kijkje op:
Je bent er van harte welkom!
Tweede kerstdag, maandag 26 december, was ik aan het begin van de avond onderweg van Den Haag naar Venlo. Ik reed net het station van Tilburg uit, toen ik een ster zag. Pardon, toen de treindienstleider belde. Met duidelijke tegenzin gaf hij een verzoek van de KLPD aan me door. Een persoon die hij gedetailleerd beschreef, was die dag niet teruggekeerd naar de instelling van de GGZ waar hij verbleef. De politie wilde dat ik naar hem uitkeek langs de voetbalvelden. De enige reden die ze hadden om juist daar te zoeken, was dat hij daar de vorige keer ook zat.
Het was geen officiële Aanwijzing VR om voorzichtig – d.w.z. met maximaal veertig kilometer per uur – te gaan rijden, maar om ongelukken te voorkomen nam ik het wel zo op. Voor kerstdagen was het dit jaar opvallend stil wat betreft zelfdodingen op het spoor, en dat wilde ik graag zo houden. Omdat ik niets wist van de geestelijke gesteldheid van deze wegloper, reed ik met een slakkengangetje langs de sportterreinen en er voorbij tot de overweg ongeveer een kilometer verderop. Ik had niemand langs het spoor aangetroffen – hoewel ik die in het duister ook best gemist kon hebben – alleen iemand gehurkt in de regen op het fietspad zien zitten. Zo gaf ik dat ook door aan de treindienstleider.
Door dit oponthoud had ik ondertussen wel een vertraging opgebouwd van bijna tien minuten. Dat zou een probleem kunnen worden voor reizigers die in Eindhoven over wilden stappen op de intercity richting Maastricht. En dat waren er heel wat. De treindienstleider Tilburg was echter volop bereid me een duwtje in de goede richting te geven. Alle, maar dan ook werkelijk alle seinen op mijn spoor toonden veilig groen. Ik reed op topsnelheid naar Boxtel, op het laatste moment zachtjes remmend, zodat ik met een ‘iets-meer-dan’ tachtig, zonder ingreep van de ATB, direct na de bocht mijn snelheid weer kon verhogen. De Tijdelijke Snelheids Beperking (TSB) die honderd kilometer per uur toestond, passeerde ik met ruime marge, maar met correctie en enige afronding naar beneden, kwam ik toch heel aardig in de buurt. Met 140 kilometer per uur door de tunnel in Best en op naar het laatste rechte stuk. De vertraging was ondertussen teruggelopen naar vijf minuten. Een perfect staaltje van samenwerking tussen treindienstleider en machinist, ProRail en NS.
Ik had bewust nog niets over de oorzaak van deze vertraging omgeroepen. Ik wilde niemand blij maken met een dode mus. Nu ik zeker wist dat ik de aansluiting ging halen, bereidde ik een feestbericht voor. Een kerstfeestbericht met veel tegenslag en toch een happy end:
Goedenavond dames en heren. Zoals u gemerkt hebt, hebben wij bij Tilburg een kleine vertraging opgelopen. Dat kwam doordat er een verwarde man langs de rails kon lopen. Om u toch een beetje warm te houden deze laatste kerstavond, hebben wij er – in samenwerking met de verkeersleiding van ProRail, het laatste stuk flink de vaart in gezet om de aansluiting naar Maastricht te kunnen halen. Hier en daar hebben we er wel een kleine overtreding voor moeten maken, maar zo kan ik u tenminste nog enkele prettige kersturen wensen.
Ja, dit bericht zou de reizigers nog gelukkiger maken dan ze nu al waren. Tegenslag overwinnen door iets meer te geven dan eigenlijk mogelijk is, dat is toch de ware kerstgedachte. Bij Eindhoven Beukenlaan begon ik rustig af te remmen. Tot mijn vreugde had de treindienstleider ervoor gezorgd dat het sein op spoor twee in Eindhoven ook al op groen stond, zodat ik met een vaartje van zestig op het perron af kon rijden. Precies twee minuten te laat bracht ik de trein in Eindhoven tot stilstand en opende de deuren. Twee minuten, daar had de intercity naar Maastricht op moeten wachten.
Had moeten wachten. Maar hij had niet gewacht. Misschien omdat er in de informatieborden boven het perron ongeveer vijf minuten vertraging stond, in plaats van twee. Misschien omdat de treindienstleider Tilburg zijn Eindhovense collega niet had ingelicht. Misschien omdat de treindienstleider Eindhoven verzuimd had het sein op spoor 1 uit de automatische bediening te halen. Misschien omdat er een hoofdconducteur op zat die altijd strikt – dus ook op zon- en feestdagen – volgens de regels der punctualiteit handelde. Misschien had ik nog dichter tegen de snelheidslimiet moeten rijden. Misschien had ik het verzoek van de KLPD minder serieus moeten nemen. Misschien, het maakte geen verschil. Mijn feestelijke omroepbericht kon de vuilnisbak in. Ik zag alleen maar boze en teleurgestelde mensen aan de overzijde van het perron lopen. Die moesten nu bijna een half uur wachten op de volgende intercity. Het tafereeltje paste niet echt in mijn kerstsfeer. Gelukkig hoefde ik zelf niet naar buiten om te proberen het onverklaarbare te verklaren. De conducteur floot, sloot de deuren en ik reed door naar Helmond en Venlo. Nadat mijn achterlichtjes het station verlaten hadden, stonden de overstappers op een koud en kaal perron.
Heeft er iemand nog luciferhoutjes?
Elke herfst is het weer raak. Slippende treinen, doorglijden op een station, vierkante wielen, defect materieel en geïrriteerde reizigers. Het wordt veroorzaakt door een combinatie van vocht, roest en een vetachtige substantie uit bladafval. Om te voorkomen dat treinen te laat geremd worden als er plaatselijk veel blaadjes van de boom gewaaid zijn, heeft ProRail een nieuw bord - eigenlijk sein in spoortermen - ontwikkeld om machinisten heel nauwkeurig op het gevallen blad te attenderen.
‘Het is een heel werk om ze allemaal te plaatsen en verplaatsen, zeker als het hard waait en de blaadjes niet op één plek blijven liggen,’ aldus een woordvoerder van ProRail. ‘Maar het is het meest geavanceerde middel dat we op dit moment tot onze beschikking hebben.’
Prototype van het nieuwe sein. De pijlen worden beweegbaar, zodat machinisten het sein zelf kunnen aanpassen aan veranderde omstandigheden.
Vreemde Vogels
Ook in 2012 komt er weer een Nieuwjaarsconcert van het Nederlands Blazers Ensemble, ook dit jaar weer een bijbehorende compositiewedstrijd voor jongeren tot en met 18 jaar. Ook dit jaar heb ik het Familieconcert Regio Zuid in het Muziekgebouw Frits Philips te Eindhoven bezocht. Ook dit jaar ben ik weer blij dat ik niet in de jury zat. Ik houd het dus bij een korte beschrijving en laat het salomonsoordeel met plezier over aan Bart Schneemann.
Mimi Magusin – Vrij
Een trouwe deelneemster, de laatste twee jaar met gevoelige, zeer persoonlijke liedjes. ‘Liedjes’ klinkt eigenlijk te oneerbiedig, want de combinatie van tekst en muziek stijgt ver boven het eenvoudige refrein-couplet-refrein uit. Prachtig intro, mooi gezongen door twee stemmen, maar waarschijnlijk net te weinig show voor het Nieuwjaarsconcert. Een verliezer is ze zeker niet. Van zulke uitspraken krijg ik kippenvel: …juist de vrijheid die je jezelf geeft. Het blijft altijd de vraag hoeveel je je wilt aanpassen en hoe dicht je bij jezelf blijft. Dit stuk gaat over mijn gevecht, hoe ik heb gestreden om bij één van de twee kampen te komen…
Ik hoop ooit nog meer te vernemen van haar strijd, op haar eerste verzamelalbum.
Zoran Rosendahl – Kabouterkoning Kyrië
Bart Schneemann maakte zich voorafgaand aan het optreden zowel als daarna, overdreven vrolijk over het onderwerp van de compositie van Zoran. Hoe kon hij nou als zeventienjarige nog in kaboutertjes geloven? Bart Schneemann heeft zeker nooit meegereden in het Nachtnet. Kabouters zijn niet die vriendelijke puntmutsen die Rien Poortvliet getekend heeft. Ze kunnen uiterst wraakzuchtig zijn. Dat heeft Zoran goed begrepen, Bart zal het vanzelf merken.
Hoe dan ook, het was een zeer sterke compositie bestaande uit twee prima tot eenheid gesmede delen. (Smeden kunnen die kabouters!) Een vrolijke dans en een sombere treurzang. Die laatste had van mij nog wat droeviger gemogen, maar het euphoniumspel van broer Rodin maakte dat meer dan goed. Zonder zich te forceren speelde hij de hoge noten die Zoran geschreven had. Als het mijn broer was geweest, had ik hem teruggeschopt naar zijn piano. En daar kwam hij niet achteruit tot mijn trompetpartij een stuk eenvoudiger was geworden.
Helaas gaan de broers niet door naar de finale. Ik denk dat wederom het showelement hierbij een grote rol heeft gespeeld. Je maakt toch een sportievere indruk met een saxofoon dan met een euphonium. Sax klinkt sexy, Euph klinkt als… een enge ziekte. Probeer het eens met een – op z’n Engels uitgesproken – Fantasy 2012 Euphonium Firestarter. Paar vlammetjes op het instrument schilderen, beetje moonwalk erbij en je staat zo in de finale.
Rozemarijn Roland Holst - Ahead
Ze kwam, ze zag, en ze ging weer. Jammer dat ze zich geen tijd gunde te overwinnen. Binnen de sluitertijd van één enkele foto was ze opgestaan, had haar applaus in ontvangst genomen en was ze weer vertrokken. Jammer, want meer dan de andere deelnemers zocht ze het in een combinatie van zang en een zich langzaam ontwikkelende melodie die steeds dringender werd maar nooit de tekst verdrong. En wat een tekst! Vooral de volgende zin spreekt mij persoonlijk aan:
Fading slowly into utter silence,
Losing what it was, what it is, or could be.
Ook in het refrein zitten schitterende passages:
Stubbornly different, day by day I keep looking beyond,
beyond my own questions and beyond my own doubts,
I will always try to go far beyond.
Fully awakened, day by day I keep looking ahead,
ahead of my shadow and ahead of old times,
I will always step out full speed ahead.
Ik zal zelf niet zo snel ‘Ahead’ lopen. Ik kuier er meestal bedachtzaam, twijfelend achter aan. Maar één ding heb ik met Rozemarijn gemeen: we kiezen nooit de weg die anderen gaan. Nooit een verharde weg, nooit een platgetreden pad. Te veel show zou in dit geval afbreuk doen aan haar kwaliteiten, maar waarschijnlijk is Rozemarijn allang, full speed ahead, ver voorbij het Nieuwjaarsconcert, op weg naar nieuwe muzikale ontdekkingen.
Daja en Simo van de Vosse – The tour of the feather
Volgens Bart Schneemann zijn Daja en Simo dit jaar volwassen geworden, als componisten. Ze zijn in zijn ogen enorm gegroeid. Dat klopt natuurlijk letterlijk en figuurlijk, maar ik zou eerder zeggen dat ze hun horizon verlegd hebben en meer zijn gaan experimenteren met klank. Ik vind Crazy Cat namelijk nog steeds een topnummer en van de melodie van Zelf hoef ik maar een paar noten te horen, of het wijsje zit weer een hele dag in m’n kop.
Hun inzending van 2011 klinkt soms klassiek, dan weer als hardrock, bizar, komisch en vervolgens als serieuze jazz. Experimenten als improvisatie, de onregelmatige, wisselende maatsoorten en het wapperen met gekleurd papier, deden me sterk denken aan de helaas veel te jong overleden componist van ‘Mensenmuziek’ – zoals hij het zelf noemde – Willem Breuker. Even leek het alsof ze een overkill aan effecten, polyritmiek en -metriek in hun werk hadden zitten, maar dat werd veroorzaakt door musici van het NBE zelf die niet tot drie konden tellen. Bart Schneemann deed het schuldbewust af als foutjes door de ingewikkelde maatsoorten, maar een 7/8 is ook maar gewoon 2+2+3. Aan de meetellende voet van Simo kon ik zien dat hij zich niet van de wijs liet brengen. Daja keek af en toe wat angstig, maar hield eveneens strak aan het voorgeschreven ritme vast. Klasse als je zo koelbloedig reageert.
Simo en Daja wonen in Zeist, niet bepaald wat ik onder Zuid-Nederland versta. Ik hoop dus dat ze hier weer snel verdwijnen. Hun plek is in Amsterdam, in het Muziekgebouw aan ’t IJ om precies te zijn, met een zaal voor klassiek moderne muziek en de BIM-zaal voor Jazz. Ze zullen dan waarschijnlijk op de trap tussen beide zalen in moeten spelen, of ieder apart in een eigen zaal. Dat wordt hoe dan ook een leuk experiment en een superconcert. Beetje vreemd, maar Willem Breuker zal het geweldig vinden.
Jammer dat ik tijdens de finale in Almere moet werken, zodat ik ze niet kan horen als ook het NBE gerepeteerd heeft. Dat zie ik 1 januari dan wel op televisie.
Celia Swart – Stray Saturn
Twintig jaar oud was Candy Dulfer toen ze met Lily was here een grote hit scoorde. Vlammen en stoom ontsprongen aan Candy én aan haar saxofoon. Ook haar toeschouwers stonden in brand. Door Candy én door haar saxofoon. Maar dat is ondertussen alweer twintig jaar geleden. Geen nood, oma kan gaan rusten, Celia Swart neemt het van haar over. Tijdens het familieconcert hield ze zich nog enigszins gedeisd, maar samen met haar energieke drummer en de juiste funky, jazzy ambiance, is er vast geen houden meer aan. Meer valt er over deze compositie eigenlijk niet te vertellen. De nieuwe Candy Dulfer is door naar de finale. Binnen een paar jaar North Sea Jazz.
Bo Ribbens – Pinguïn in de woestijn
In 1976 maakte Alan Parker de musicalfilm Bugsy Malone. Een verhaal over de strijd tussen mafiabendes, waarin alle rollen worden gespeeld door kinderen. Kinderen in een keiharde gangsterwereld, het geeft een heel vervreemdend effect. In die film zit een kroegscène waarin een honky-tonk-jazzorkest rondom een piano de meest swingende muziek speelt die je je kunt voorstellen.
Vijfendertig jaar later staat hetzelfde orkest, geen spat ouder geworden, in Eindhoven op het podium. Jazzy&Co, onder leiding van de tienjarige Bo Ribbens, speelt alsof het zo uit de film is gestapt. Wel hebben ze de jazz-zang vervangen door een stukje rap, prachtig gebracht door de twaalfjarige Joshua, een kleine jongen die constant lacht. De rap klonk leuk, maar hij viel pas echt op toen hij hoge noten ging zingen. Hoog en vooral zuiver kwamen de noten onder zijn muts vandaan.
Ik zou wel eens bij een repetitie van Jazzy&Co aanwezig willen zijn. Een hoop lol en flauwekul waarschijnlijk, totdat Bo zegt dat er serieus gerepeteerd moet worden. Dat leiderschap straalt hij uit achter de piano. Hij speelt schijnbaar achteloos, uit de losse pols, maar ondertussen houdt hij alle musici in de gaten en zorgt ervoor dat niemand uit de maat gaat lopen.
Behalve het prima muzikaal niveau, was het ook nog leuk om te zien. Bo zelf, maar ook de muzikanten om hem heen, hebben allemaal iets heel eigens, iets karakteristieks dat ze een unieke uitstraling geeft. Stuk voor stuk vreemde vogels die het op de televisie fantastisch zullen doen.
Jammer dat er nog drie andere regio’s zijn, want Zuid alleen had al een heel concert kunnen vullen. Eén ding is zeker: het gaat een heel spannende finale worden. En voor Daja en Simo: niet vergeten, driemaal is scheepsrecht!
Scheiding
De dag was tot nu toe - op z’n zachtst gezegd - niet zo heel erg goed verlopen. (Zie deel 1) Op de heenweg was ik met de intercity gestopt in Utrecht Lunetten en toen ik er even later opnieuw kwam, kon ik de trein niet meer in. Als sleutelaar had ik me van mijn professioneelste kant laten zien door eerst mijn sleutel in het verkeerde gat te stoppen en me daarna als Stan Laurel en Oliver Hardy - ja, allebei tegelijk - door de menigte te manoeuvreren. En het moeilijkste moest nog komen. Er zou dus minstens één trein in Geldermalsen blijven staan, waarschijnlijker was dat zowel de sprinter naar Tiel, als die naar ’s-Hertogenbosch, geen centimeter meer voor- of achteruit zouden willen rijden.
Een tikje zenuwachtig zat ik in de cabine van het achterste treinstel. Het was beter geweest als ik zelf kon rijden, dan had ik niet zoveel tijd om me druk te maken. Maar je kunt niet met goed fatsoen in de voorste trein gaan zitten als je de achterste moet rijden. Ik had verschillende foldertjes en boekjes over de SLT bij elkaar geschraapt om de splitsingsprocedure nog eens goed op me in te laten werken, maar na elke softwareversie was die aangepast, zodat er niet twee op elkaar leken. Alleen stap één en stap twee waren in alle edities gelijk: geduld en geduld. Stap drie durfde geen enkele auteur in zijn tekst op te nemen.
Elite
Ik staarde wat naar buiten, maar ik zag niet veel meer dan het treinstel dat voor me reed. Tiel, stond er in gele letters boven de voorruit. Welke woorden kun je allemaal maken met de letters T, I, E, en L? Ik was al snel uitgepuzzeld. Elite, dat zou een mooi woord zijn als je de letters meer dan eens mocht gebruiken. Volgens de Grote Gedoger behoor ik tegenwoordig tot de elite, ik ben immers wekelijks in Schouwburg of Concertzaal te vinden. Nog wel, want Henk en Ingrid houden niet van theater, dus het moet kapot. Alleen de bioscoop (Amerikaans) en het circus (Joods) kunnen ze nog met instemming van hun geblondeerde leider bezoeken. Van de meeste films wordt de soundtrack op de computer vervaardigd, alleen de hele grote maatschappijen hebben geld om een compleet symfonieorkest en een componist in te huren. Ik zie nu al steeds vaker een synthesizer staan opgesteld tussen de musici van een orkest. Het zal niet lang meer duren of we kijken naar twee of drie computers die de Vijfde van Beethoven uitvechten.
Computernerd
En met ruziënde computers zijn we weer terug in de SLT. Ja, mijn gedachten dwalen nog wel eens af in de cabine. Logisch, zo is de stuurtafel immers geconstrueerd. Je doet vrijwel alles in deze trein met je rechterhand. En iedereen weet dat je rechterhand gestuurd wordt door je linker hersenhelft. Links beheerst, naast het besturen van rechts, ook het logisch denken, analyseren en rationeel beslissen. De rechter hersenhelft verveelt zich dus een ongeluk, maar heeft niemand om mee te spelen. Praten kan hij niet, ook het spraakcentrum zit links, dus wat kan hij anders dan afdwalen?
Zo bereikten we, sneller dan verwacht, Geldermalsen. De voorste machinist opende de deuren, draaide zijn sleutel om en riep door de portofoon dat de trein ‘plat’ lag. Ik keek naar de achterwand van mijn cabine en zag één lamp branden en één lamp knipperen. Wat die lampen te melden hadden, weet ik niet meer, maar het aantal was in ieder geval goed. Eén brandende lamp: fout, twee brandende lampen: goed. En dan mocht er best iets knipperen. Ik vond het allemaal iets te snel gaan. Ik wilde niets overhaasten dus voor de zekerheid paste ik nog maar een minuutje regel één toe: geduld. Geduld is een schone zaak. Dat kwam goed uit, want de voorruit was behoorlijk smerig. Na een minuut, althans voor mijn gevoel, het kunnen ook twintig seconden zijn geweest, wierp ik opnieuw een blik op de achterwand van de cabine. Eén continu brandende lamp en één knipperende. Nog steeds goed. Ik kwam er nu echt niet meer onderuit en deed nog even snel een schietgebedje. In gedachte natuurlijk, want in deze tijd van terrorisme kun je beter niet echt in het wilde weg om je heen gaan schieten. Als machinist dan. Als het je hobby is, knal er gerust sportief op los.
Onheil en rampspoed
Het moment van de waarheid was aangebroken. Tijd voor de definitieve, de ultieme test. Zouden wij een pact sluiten of voor eeuwig elkaars vijanden worden? Bijna drie jaar na de opleiding, ging ik voor het eerst twee stellen SLT splitsen. Zonder er verder bij na te denken, stak ik de sleutel in het slot en draaide hem om. De SLT reageerde kalm en zelfverzekerd. Het diagnosescherm gaf netjes de treinsamenstelling aan, de verschrikkelijke Maz 220 was bezig met de controle van de ATB, niets wees op naderwervelende storingen en problemen. Dat was niet in lijn met de rest van de dag. Er wordt door sommige muzikanten beweerd dat een slechte generale en goede uitvoering oplevert, maar ik heb altijd meer heil gezien in het repeteren van de noten tot ik mijn partij beheerste. Ik keek voorzichtig de cabine rond en mijn oog viel op de parkeerrem. Onheil en rampspoed! De lamp was uit!
Eigenlijk had de aankomende machinist die knop al in moeten drukken, maar ik kon hem niet verwijten dat ik het zelf niet gezien had. Wat moest ik doen? Zonder bediende parkeerrem kon ik niet splitsen, maar de Maz 220 onderbreken leek me een gegarandeerde voetjes-in-het-beton-en-afzinkenplons. In een poging oprecht verwonderd te klinken, liet ik een langgerekt oooohhh door de cabine schallen. Tegelijk wees ik met mijn gestrekte rechterarm naar buiten, in de richting van de maan. ‘Berlusconi’!
Het was een gok, want de ene maffioos is de andere cosa nostra niet, maar er schoten me zo gauw geen andere Italiaanse namen te binnen. Met mijn linkerhand drukte ik, zoveel mogelijk uit het zicht, op de parkeerrem. Deze sloeg onmiddellijk aan en de Maz 220 sloeg onmiddellijk af. Dat wil zeggen, het witte lampje doofde en na een hele lange tijd - twee hartslagen, één gemist - ging het gele lampje branden. Hij had niets van mijn noodingreep gemerkt.
Twee is één te veel
Het grote moment was daar. Ik had de trein opgestart, nu moest het echt tot een scheiding der stellen komen. Ik aarzelde even voor ik de ontkoppelknop indrukte. Check, recheck, dubbelcheck. De ontkoppelknop? Al die heisa om één knopje. Ja, één knopje, maar wel een NS-knopje. En een NS-knopje, daar kun je beter niet te lichtzinnig over denken. Dat knopje is namelijk verdeeld in minimaal twintig partjes, die allemaal een andere eigenaar hebben. En die eigenaren moet je allemaal tevreden houden. Het indrukken van een enkel NS-knopje is als het ronddelen van één taart in een kantoor van tien verdiepingen. Waag het niet iemand over te slaan of juist een groter stuk te geven dan de anderen. Je zult het de rest van je carrière, voor zover daar nog sprake van is, bezuren. Nu snap je ook waarom conducteurs en machinisten in Eindhoven, mensen die geen trappen kunnen lopen niet mogen helpen met de lift. Die is namelijk met een speciale sleutel afgesloten. Een sleutel die alleen na het succesvol afronden van een loodzware, zowel fysiek als mentaal, cursus te bemachtigen valt. De lift heeft maar liefst twee knopjes. Twee!
Terug naar Geldermalsen. Regel één en regel twee volkomen negerend, drukte ik op de gele ontkoppelknop. Ik wachtte op de herrie die nu zou ontstaan; lucht die sissend ontsnapte, alarmsignalen die je oren deden fluiten, misschien zelfs een huilende baby, maar het bleef stil. Opmerkelijk stil. Aan een lichte trilling van mijn voeten, voelde ik dat er wel degelijk iets gaande was. Ik spitse mijn oren en inderdaad hoorde ik het geluid van metaal op metaal. Niet het geluid van roestige haken en kettingen die met geweld in elkaar worden gedreven, ook niet het geratel van losspringende moeren en vogelvrije bouten. Nee, het klonk als een geoliede machine, een metalen staaf die onder een dikke laag vet, heerlijk heen en weer schuift in een eveneens metalen cilinder. Alsof de twee treinstellen elkaar een handje gaven bij het afscheid.
‘Hij is los,’ schreeuwde de conducteur. Ik kon het bijna niet geloven. Alleen nog een meter of twee achteruit rijden, en de klus was geklaard.
Autisme
De conducteur sloot de deuren. Ik wachtte even tot de Maz 220 ook weer bij de les was en trok de rijrichtinghendel naar achteren. Voor de zekerheid heeft men bij die hendel ook een A en een V laten aanbrengen, voor het geval een machinist zou denken dat je vooruit moet duwen om achteruit te gaan. Dat komt binnen het bedrijf inderdaad regelmatig voor, maar onder machinisten of conducteurs heb ik het nog nooit meegemaakt. Net toen ik tractie wilde geven - tractie is een ander woord voor gas dat van de bovenleiding, de hoogspanningskabel stroomt - brak de maan tussen twee wolken door en belichtte de gecombineerde rijd/remhendel zo fel, dat ik even dacht dat de zon zich een paar uur vergist had. Ik knipperde een paar keer met mijn ogen en zag toen dat de rijd/remhendel een enorme schaduw naar achteren wierp. Dacht je nou echt dat ik dáár in zou trappen? Ik zei het uiteraard zonder geluid te maken. Ik vertrouw al die moderne spionageapparatuur niet. Elke trein beschikt tegenwoordig over internetmogelijkheden. Wat je vandaag in de ene SLT beweert, wordt morgen op een ander traject tegen je gebruikt. Ik wilde de hendel naar voren, in de rijdstand duwen, maar bedacht me op het laatste moment.
Toen herinnerde ik me wat een instructeur tijdens de jaarlijks verplichte herhalingscursus over oude en nieuwe (stijl) machinisten had verteld. Tegenwoordig wordt van machinisten verwacht dat ze zich actief bezig houden met het geven van informatie aan de reizigers. Hij vertelde het een beetje lacherig, met een houding van “ik ken de praktijk, maar dit is nu eenmaal een onderdeel dat ik moet vertellen dus laat me nou even”. De snelste manier voor machinist en conducteur om aan informatie te komen, is namelijk vragen wat er aan de hand is aan een twitterende reiziger. De omgekeerde wereld dus, om over prognose en advies maar te zwijgen. De machinist ‘oude stijl’ beschreef hij als een wat krom gebogen man in uniform, die zich, half verscholen achter zijn tas, zo onopvallend mogelijk naar de cabine beweegt om zich daar een tikje autistisch achter - of onder - de stuurtafel te verstoppen. Mijn ideaalbeeld van een goede machinist!
Zoals bekend hebben autisten vaak een grote affiniteit met computers en logische modellen. De SLT is vergeven van de computers, al kan ik de logica meestal niet volgen. Als de SLT nu zelf eens een autistische machine was, hoe zou hij dan informatie uit zijn omgeving halen? Waarschijnlijk zou hij algemeen aanvaard gedrag gaan imiteren. Observeren en kopiëren, op die manier passen autisten zich aan, om mee te kunnen draaien in een wereld die ze niet volledig begrijpen. Met zijn camera’s en hightech apparatuur, valt er voor een SLT veel te observeren. Een geintje uithalen met een collega zat nu beslist in zijn pakket vaardigheden. Ik besloot de proef op de som te nemen en trok de rijd/remhendel naar achter, in de remstand. Overdreven verbaasd vroeg ik me hardop af waarom de trein niet reed. Terwijl ik mezelf een klap op mijn voorhoofd gaf, brak de maan alle records in lumen. Ik zette mijn trein alsnog een stukje achteruit en opende de deuren. De maan danste opgewekt om ons heen. Wij waren helemaal klaar om een stukje naar Breda te sprinten.
Oogkleppen
De rit verliep voorspoedig. Ik hoefde niets meer zelf te doen, de SLT had de hele besturing overgenomen. Dat was maar goed ook, wat in deze trein was nog geen verduisterende folie tegen de achterwand van de cabine geplakt, zodat ik op de voorruit de gebeurtenissen uit de trein achter me geprojecteerd zag, in plaats van zicht te hebben op de rails en overwegen voor me. Een dan weer links, dan weer rechts en één keer zelfs van onder me opduikende maan, zorgde ervoor dat ik werkelijk helemaal niets kon zien buiten de cabine. Maar ach, wat gaf het. Wij hadden elkaar gevonden. Ons kon die avond niets gebeuren. Als twee vrienden, bloedbroeders, scheurden we over het Nederlandse spoor. Onkwetsbaar, onaantastbaar. Verzakkingen, kattenruggen, spoorstaafbreuken, wij lachten erom. We wisten het zeker, wij blijven altijd bij elkaar. Dronken van geluk en cola light - hoogspanning voor de SLT - beloofden we elkaar eeuwige trouw. Deze avond kon nooit meer voorbij gaan.
Onzichtbaar schoot de buitenwereld aan me voorbij. Ik voelde met net Vincent Bijlo in een Ferrari. Als we de sloot in zouden rijden, dan reden we tenminste lachend de sloot in.
Kan een trein niet de sloot in rijden? Dat weet Vincent Bijlo toch niet, die ziet sowieso geen sloot. En wist hij het wel, dan zou hij het nog niet zeggen. Hij heeft namelijk nog voor een kapitaal aan bekeuringen openstaan. Bekeuringen wegens levensgevaarlijk gedrag, bekeuringen vanwege spoorlopen. Hij heeft zelfs al bekend:
Wij sprinten samen over ‘t spoor,
Ook met de bomen dicht.
Ik hoor de belletjes,
Maar jij hebt het zicht.
(Zonsondergang)
Als dit een sprookje was volgens oude tradities, dan had ik moeten beginnen met: Lang geleden, in een land hier ver vandaan, leefde een beeldschone prinses. Maar de prinses was de veertig al ruim gepasseerd, het gebeurde bij wijze van spreken in mijn achtertuin en zo lang geleden is het ook niet. Vorige week. Eigenlijk zou het helemaal geen sprookje mogen heten, want sprookjes lopen altijd goed af, en dat kan van dit - waar gebeurde - verhaal niet gezegd worden. En toch, als je niet in wonderen gelooft, zal je aan het eind zeggen dat ik sprookjes vertel. Wacht maar af.
De vrouw waarover ik het heb, leed aan een vorm van kanker waar geen kruid tegen gewassen was. Chemokuur na chemokuur onderging ze, zonder het geringste resultaat. Ondanks alle tegenslagen was ze een vechtster die bleef geloven in een goede afloop, ze gaf niet op.
‘Meisje,’ sprak haar moeder, een springlevende bejaarde vrouw - die meerdere malen haar botten gebroken had, niet vanwege ouderdom, maar omdat ze op haar tachtigste nog sporten ging beoefenen waarmee je uiterlijk op twaalfjarige leeftijd moet beginnen - ‘als ik het van je over kon nemen zou ik dat onmiddellijk doen.’
Natuurlijk, dat zegt elke liefhebbende moeder tegen haar stervende dochter. Om te laten zien hoe machteloos ze is, om samen te lijden, om te troosten, omdat ze weet dat je wel organen, maar geen ziektes van anderen over kunt nemen. Of zijn er mensen die denken dat het wel degelijk mogelijk is, als je maar echt bereid bent je eigen lichaam te offeren? Die de daad bij het woord voegen, al wordt daar een bovenmenselijke inspanning voor gevraagd?
Hoe dan ook, het mocht niet baten. De kanker in haar lichaam groeide zo snel, dat De Dood ruim voordat haar statistisch bepaalde tijd voorbij was, zo dichtbij kwam dat ze hem aan kon raken. Met zijn adem in haar nek, heeft ze haar laatste dag precies zo geleefd als ze zich vlak na de diagnose had voorgesteld. De bijzondere plekjes van haar jeugd heeft ze nog eenmaal gezien, nog één keer taart gegeten in dat knusse tentje aan het strand en nog één keer heeft ze het levende zand, door de zee bij eb achtergelaten, tussen haar vingers laten rollen. Daar aan het strand is ze, moe van alle inspanningen en versuft door de pijnstillers, buiten bewustzijn geraakt. Ze is nooit meer aanspreekbaar geweest. Minder dan een dag later is ze overleden.
Vrijwel direct na de begrafenis vond er een treurig ongeval plaats. De oude moeder was op de gang van haar woning in elkaar gestort en heel ongelukkig gevallen. In het ziekenhuis had men een razendsnel groeiende kanker als veroorzaker aangewezen. Haar hersenen waren aangetast en er waren zoveel uitzaaiingen op de foto’s te zien, dat het een wonder was dat ze nog leefde. Elke behandeling was zinloos. De tot die tijd zo levenslustige vrouw, overleed precies een week na haar dochter.
***
Waarom staat hier in hemelsnaam sprookje boven, als twee mensen aan een vreselijke ziekte overlijden? Omdat sprookjes hun schepper overleven. En zolang sprookjes doorverteld worden, blijft de geest van de personen aan wie ze zijn opgedragen, ademen. Alleen sprookjes kunnen de vragen die overblijven beantwoorden: Wat zou er gebeurd zijn als de ziekte bij de dochter een voorspelbaarder verloop had gehad, haar een maand extra tijd had geschonken? Dan was haar moeder waarschijnlijk eerder overleden dan zijzelf. Zou dat toeval zijn geweest, of was de moederbelofte de kanker over te nemen zo intens, dat het De Dood onmogelijk was die wens te negeren?
Een moeder die haar kind voor de tweede maal lucht in de longen blaast, haar bloed laat stromen, haar hart laat kloppen en haar geest doet ontwaken. Misschien was het daadwerkelijk gebeurd. In sprookjes kan het. Luisteren sprookjes zelf, na het eten, bij kaarslicht, naar verhalen die eens, lang geleden, over mensen werden verteld? Zouden sprookjes ook in staat zijn in te grijpen in de mensenwereld? Kan het wonder van wederopstanding werkelijk bestaan?
Ik ben overtuigd van de kracht van sprookjes. Ik denk het wel.
De man met de bloemen is de beroemde Cubaanse pianst Jorge Luis Prats. Waarom hij, als held van de avond, zo onscherp op de foto staat, lees je hier.
Om machinist te willen worden, moet je in aanleg al een beetje gestoord zijn. Om te controleren of je nog gek genoeg bent om een trein te besturen, word je om de vijf, vier of drie jaar - meesters van 55 en ouder zelfs élk jaar - psychologisch en medisch binnenstebuiten gekeerd. Deze keuring duurt een hele dag. Om er een beetje rustig in te komen, begint die dag in alle vroegte met een computerspelletje om je reactievermogen te testen.
Links
Natuurlijk niet een spelletje dat enigszins overeenkomt met de werkelijke situatie in de trein. Nee, juist radicaal anders. Als een machinist in de trein een zoemer hoort, licht hij in een reflex zijn voet van het dodeman-pedaal. Dat zit zo ingebakken, dat je dit automatisme niet gemakkelijk opzij schuift. Tijdens deze reactietests is het echter de bedoeling dat je, na het horen van een lage toon, links op een knop van het merkwaardige toetsenbord drukt. De pedalen, die wel degelijk aanwezig zijn, gebruik je als je een gele lamp ziet. Als je in de trein een gele lamp ziet oplichten, is dat een waarschuwing van je ATB. Dan grijp je onmiddellijk naar de remkraan.
Behalve dat je ook nog op vijf gekleurde bollen moet letten, moet je er dus voor zorgen dat je linkerhand, bij het horen van een zoemer, eerder op de knop drukt dan je linkervoet in een reflex op het linker pedaal en zie je een gele lamp, dan moet je linker- of rechtervoet, al naar gelang de plaats van de lamp op het scherm, sneller op het linker of rechter pedaal drukken dan je rechterhand op zoek kan gaan naar de remkraan. Probeer je eens voor te stellen hoe de gemiddelde machinist na een paar uur deze zaal verlaat. Links, rechts, boven en onder hebben niets meer met elkaar te maken. Rechterarm en linkerbeen weten van elkaar niet eens meer dat ze bestaan!
Nu zijn veel machinisten - vooral degenen die voornamelijk late- en nachtdiensten draaien - ’s morgens vroeg niet op hun allerbest. Zacht uitgedrukt. Er zijn er die hun ogen open houden, maar fysiologisch nog in de slaapstand staan. Zelf begin ik om 09:00 uur langzaam uit de stand-by te komen, echt wakker ben ik echter nooit voor 10:00 uur. Dat is prettig tijdens vroege diensten, want dan zit de helft van de dag er meestal al op.
Rechts
Minder prettig was het woensdag 16 november, stipt om 09:00 uur bij de psychologische keuring. Om tijd te rekken - en uit de stand-by te ontwaken - begon ik de snoer, die om de pedalen gewikkeld zat, te ontwarren. Dan kon ik tijdens de test - die tamelijk lang duurt - gemakkelijk anders gaan zitten. Ik herinner me dat ik vijf jaar geleden kramp kreeg in mijn benen, maar mijn voeten geen centimeter kon verplaatsen. Dat zou me nu niet gebeuren. Tijdens de eerste helft van de introductie, lag ik dus onder de tafel. Tijdens de tweede helft was ik boven de tafel bezig een aantal knopen uit het snoer van de hoofdtelefoon te halen. Daarbij tikte de kabel lichtjes op het toetsenbord van de computer, die direct door het hele programma vloog en me verzocht in de lounge te wachten op de uitslag. Tot mijn verbazing - en opluchting - bleek ik ruim voldoende gescoord te hebben.
Waakzaamheid
Het eerste deel is dan ook slechts bedoeld als inleiding, of afleiding. Stilte voor de storm, want na de pauze volgt pas het onderdeel waar het allemaal om draait: De Vigilantietest. Ik heb het opgezocht in het woordenboek: De Vigilantie blijkt een zeventiende-eeuws pakhuis in Alkmaar te zijn. De verwarring is gezaaid, het oogsten kan beginnen. Deze test bestaat louter uit bolletjes. Gekleurde bolletjes die in allerlei variaties over het beeldscherm tollen. De opdracht is vrij eenvoudig: zie je vijf bollen van dezelfde kleur, dan druk je links, zie je drie gekleurde bollen over het scherm flitsen in de volgorde groen, geel (NS-taal voor oranje,) rood, dan druk je rechts. En omdat het scherm groot genoeg is voor al die vaste en springende bolletjes, doen we beide oefeningen tegelijk.
Een redelijk, intelligent, zelfdenkend mens, loopt al voor aanvang weg. Die weigert zich door al die hypnotiserende bolletjes te laten hersenspoelen. De buurman uit de straat, houdt het vijf minuten vol, dan beginnen de zeepbellen uit elkaar te spatten en ziet hij het niet meer. Bedenk dan dat deze test dertig (!) minuten duurt, er geen pauze-mogelijkheid bestaat, er geen paniek-knop op het toetsenbord zit, een cyclus van oplichtende bollen slechts een seconde of vier duurt en direct gevolgd wordt door het volgende bollenveld. Bij elkaar honderden velden met duizenden gekleurde bollen. Dan begrijp je dat slechts twee groepen de vigilantie-eindstreep halen. De eerste groep bestaat uit Goden, Napoleons, Juliana’s en Jeanne d’Arcs, afkomstig uit diverse, meestal pal naast het spoor gelegen, instellingen van de GGZ. De tweede groep, dat zijn de machinisten.
God
Om te voorkomen dat de verkeerde God er met een massa reizigers vandoor gaat, bepaalt een psycholoog aan het eind van de morgen wie met de trein mag reizen, en wie in het busje naar huis wordt gebracht. Een onmogelijke keuze lijkt me dat, want hoe denk je dat een machinist, die overal bollen ziet, bij deze psycholoog naar binnen wankelt? Hoort hij een zoemer dan schieten zijn linkerarm en linkerbeen tegelijk in de gestrekte stand, weerkaatst het zonlicht in de psycholoogs, achter kristalglas ingelijste, diploma, dan maait zijn rechterhand over de tafel terwijl zowel zijn linker- als rechterbeen stampende bewegingen op de vloer maken. Nee, ik ben niet gek, ik ben een machinist.
Dus je wringt je met samengeknepen knieën en over elkaar gevouwen armen in een stoel aan zijn bureau. Het ene ledemaat moet voorkomen dat het ander de boel verlinkt. De psycholoog doet of zijn neus bloedt. Of misschien kon de vorige kandidaat zijn arm toch niet onder controle houden. Terwijl je zijn vragen beantwoordt, probeer je uit alle macht de stuiptrekkende bewegingen van je kin te maskeren door je nek zoveel mogelijk richting je borst te trekken. Een houding die door de psycholoog als gesloten en autistisch, zelfdenkend en zelfstandig kan worden geïnterpreteerd. Precies het juiste karakter voor een machinist en je bent weer voor een aantal jaren goedgekeurd.
Dan is pas de helft van de dag voorbij. Achtervolgd door bollen in willekeurige volgorde van opkomst, strompel je naar je auto. Het medische gedeelte van de keuring vindt aan de andere kant van de stad plaats. Uiteraard. Natuurlijk schijnt de zon, een bol, laag en fel, recht in je gezicht. Zo scherp, dat geen zonnebril daartegen helpt. Omdat je linkervoet en rechterarm niet meer goed uit elkaar kunt houden, slinger je met dertig kilometer per uur, over een drukke vierbaansweg waar zeventig gereden mag worden, weg uit het centrum. Telkens als een automobilist je toeterend passeert, druk je automatisch met je linkerhand op de verstelknop van de koplampen. Die gaan daardoor steeds hoger staan, zodat je het laatste stukje naar de Arbo, als je de hoofdverkeersader hebt verlaten, tegemoetkomende motorrijders verblind de stuiken injaagt.
Duister
De receptioniste bekijkt je argwanend en stuurt je dan door naar de keuringsarts op de eerste verdieping. Tollend in de duisternis - je hebt je zonnebril natuurlijk nog op - maar omgeven door een lichtend universum van bollen, sterren en planeten, struikel je de kamer van de assistente binnen.
‘Zo,’ zegt deze, ‘laten we maar beginnen met de ogen. Welke rij kun je nog lezen?’ Met een stok tikt ze tegen een postergrote plaat aan de wand.
Ik moet aan de andere kant van de kamer, achter een strook witte tape, plaatsnemen. Van deze afstand kan ik helemaal niets lezen. Ik zie zelfs zo wazig, dat het lijkt alsof ik me onder water bevind. Ik knijp mijn ogen samen en zeg: ‘Die derde rij, dat lijken wel bolletjes!’
‘Prima,’ reageert ze. ‘Dan gaan we verder met de oren.’
Compleet verrast laat ik me een klein hokje binnen loodsen.
‘Geef je bril maar even, dan kun je de hoofdtelefoon opzetten.’
Normaal is dit mijn favoriete onderdeel, ik hoor namelijk toonhoogtes die ik eigenlijk als adolescent al in had moeten leveren. Maar nog vóór de eerste toon geklonken heeft, zie ik dat de deur vol zit met kleine gaatjes. Ik heb mijn bril niet op en kan mijn ogen niet goed gefocust krijgen, waardoor die gaatjes niet in perspectief een vlakke deur vormen, maar willekeurig door de ruimte gaan zweven. De mee naar binnen gedrongen bollen proberen zich in en door de gaatjes te wringen, maar ze zijn te groot. Lang nadat de laatste noot geklonken heeft, druk ik nog steeds verwoed op het knopje.
‘Uitstekend,’ roept de assistente enthousiast. ‘Zoiets zie ik zelden, wat een gehoor.’
Vampirella
Ik probeer te glimlachen terwijl zij me naar de tafel met een enorme bloeddrukmeter leidt. Eerst wil ze bloed zien om naar mijn suiker te kijken. Ik heb nog nooit suiker uit mijn hand of arm zien stromen als ik me weer eens ergens aan gesneden had, maar ik steek haar mijn linkerhand toe.
‘Nee, nee,’ zegt ze bloeddorstig. ‘De rechterhand, daar komt meer uit.’
Met een als plastic doosje vermomd steekwapen doorboort ze mijn wijsvinger. Nadat ze er een tijdje driftig aan heeft getrokken, blijkt mijn vinger niet erg bloedwillig en plakt ze een pleister op de wond.
Mijn bloeddruk mag wel aan mijn linkerarm gemeten worden. Ze pompt en pompt, zodat mijn linkerhand het, blauw aangelopen, uitschreeuwt om zuurstof. Ze luistert er onverschillig naar met een stethoscoop. Sadistisch laat ze lucht uit de band lopen, om hem daarna nog steviger op te pompen.
‘Ik kan je bloeddruk niet goed meten. Het is bijna niet te horen.’
Nee, dank je de koekoek! Mijn bloed drukt ook niet meer, mijn bloed draait in een kringetje rond. In bolletjes!
Bolletjes
‘Ik ben allang blij dat mijn hart nog klopt,’ reageer ik, een beetje geïrriteerd.
‘Mooi,’ is haar antwoord, ‘dan gaan we daar een filmpje van maken. Kleed je maar uit en ga dan op die bank liggen.’
Kleed je maar uit? Voor een filmpje van mijn hart? Nou, dat zal een mooi portret opleveren. Wedden dat het vanavond nog op YouTube staat?
Om te voorkomen dat ik de benen neem, ketent ze mijn polsen en enkels met sterke zuignappen en slangen aan de muur. Ze pakt een vel papier en krabbelt er iets op. Als ik weer bevrijd ben, zie ik dat ze er een golfbeweging met pieken en dalen op heeft getekend. Het soort golven dat je ook wel in ziekenhuisseries op tv ziet. Op zo’n piepmonitor, als rotswandbungelaar.
Als ik de kamer van de assistente verlaat, is mijn wijsvinger het enige dat klopt. Voor mijn ogen dansen bollen, in mijn oren zitten gaten. Er stroomt suiker in plaats van bloed door mijn aderen en ik vraag me af wat de verborgen camera heeft gefilmd toen ik halfnaakt, vastgebonden op de operatietafel lag. Vanavond toch maar eens op internet kijken onder ‘bondage’.
Bolletjes kwadraat
Terwijl de bollen piekerend met mij mee zweven, komt de keuringsarts met uitgestrekte arm op mij af. Te moe en door bloedverlies te wankel om me te verdedigen, schud ik zijn hand.
‘Gefeliciteerd,’ zegt hij lachend. ‘Ik mag je weer voor vier jaar goedkeuren.’
Versuft ga ik op weg, terug naar de receptie van het grote gebouw. Gelukkig is er iemand zo slim geweest een stukje karton, met daarop geschreven het woord ‘Uitgang’, op de deur te plakken. Anders had ik er nu nog rondgelopen, of was ik ergens door een ruit op de eerste verdieping gegaan.
Van de reis naar huis kan ik me niet veel herinneren. Toen ik linksaf het parkeerterrein wilde verlaten, kwamen er twee fietsers van rechts. Snelle jongens op een racefiets. Ze hadden voorrang en dat wilde ik ze ook verlenen. Echt waar. Maar waarom droeg die ene, uitgerekend vandaag, een bolletjestrui?
4 jaar en 10 meter
Mijn hart klopt,
Mijn bloed drukt,
Mijn oren horen,
Mijn vingertop suikert.
Mijn reactie is vermogend,
Mijn vigilantie, uh… vigilent,
Mijn concentratie is geconcentreerd,
Mijn aandacht is - dacht ik - aandachtig.
Mijn persoonlijkheid heb ik ingeleverd,
Mijn psychopatisch karakter goed verborgen,
Mijn verzet heb ik in stelling gebracht,
Mijn toekomstplannen psychologisch besproken.
Geschikt om weer vier jaar,
Treinen te besturen.
Mijn brein leeft z’n eigen leven,
De rest van mijn lichaam jubelt.
Alleen mijn ogen zijn negatief.
Maar als iedereen op tien meter afstand blijft,
Zie ik haarscherp,
Precies wat ik wil zien.